Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten:
Uitleg en interpretatie rond ouderlijke leerbegeleiding (thuisonderwijs)

 

Artikel 18

  1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.
  2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden.
  3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
  4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te verzekeren.

Ouderlijke leerbegeleiding, verder afgekort tot OL, is het verschijnsel dat kinderen thuis door hun ouders worden onderwezen. Deze onderwijsaanpak vormt voor de ouders die daarvoor kiezen de meest directe verzekering mogelijk, dat hun kinderen opgroeien overeenkomstig hun geweten, godsdienst of levensovertuiging (artikel 18 (4)).

OL mag bovendien gelden als een vorm van uitoefening van het in artikel 18 (1) gegeven recht uit tot het geven van onderwijs als uiting van de gekozen godsdienst of levensovertuiging.

Als zodanig dient een aan dit Verdrag deelnemende Staat zich bij OL serieus af te vragen wat hiervan de merites zijn, wil deze getrouw blijven aan dit Verdrag.

Uit onderzoek, zoals beoordeeld in het verslag van Dr. H. Blok, bleek het volgende: "Vrijwel alle onderzoeken laten zien dat de effectiviteit van (zoals door Blok genoemd) thuisonderwijs boven redelijke twijfel verheven is. Kinderen die thuisonderwijs gekregen hebben, onderscheiden zich in hun schoolvorderingen èn in hun sociaal-emotionele ontwikkeling in positieve zin van hun op school onderwezen leeftijdsgenoten."
Deze conlusie wordt breed gedragen en is op buitengewoon gezagvolle wijze bevestigd.

Het blijkt dus niet redelijk te verwachten, dat OL door ouders, die daarvoor kiezen, niet effectief zou zijn. Wat betekent dat voor de geldigheid van het impliciete verbod op, danwel de niet-erkenning van OL in Nederland, naar de normen van dit Verdrag? Dat betekent ten eerste, dat de keuze voor OL niet door de Staat niet zonder meer wettelijk beperkt of verboden mag worden met een beroep op artikel 18 (3). Immers, een wettig verbod is op zich niet voldoende, er dient ook een ontegenzeggelijk inhoudelijke noodzaak tot zo’n verbod te bestaan. De geldige redenen worden hier puntsgewijs behandeld.

  1. De openbare veiligheid:
    OL speelt zich voor een kenmerkend deel in het private domein af. Publieke aangelegenheden zijn niet noodzakelijk of kenmerkend voor OL, zeker niet in meerdere mate dan voor schoolgang. De openbare veiligheid kan dus onmogelijk in het geding zijn.
  2. De orde:
    OL is niet in de eerste plaats een groepsmatige of massale aangelegenheid, maar een gezinsmatige. De kans op verstoring van de orde is dus niet groter dan bij welke andere onderwijsvorm ook.
  3. De volksgezondheid:
    OL vindt in mindere mate groepsmatig plaats dan schoolgang. De kans op overdracht van infectieziekten is dus navenant kleiner.
  4. De goede zeden:
    OL vindt primair plaats in gezinsverband. Er is geen reden of aanwijzing denkbaar, waarin OL meer risiko voor de goede zeden inhoudt dan de gang van zaken in een gezin met schoolgaande kinderen. Integendeel: ontucht en zedenmisdrijven rond kinderen worden meest gepleegd door niet-bloedverwanten.
  5. De fundamentele rechten en vrijheden van anderen:
    Tot dusverre was dit het gebruikte excuus om OL te verbieden of te beperken: de niet-schoolgang van het kind zou inbreuk maken op zijn fundamentele recht op (effectief) onderwijs. Zoals eerder betoogd is nu empirisch duidelijk geworden, dat zo’n beperking of belemmering van dit recht niet verwacht mag worden. De persoonlijkheids-ontwikkeling van kinderen – het eerstgestelde doel van onderwijs zoals gesteld in de Mensenrechtenverdragen – wordt onmiskenbaar gediend door OL. De fundamentele rechten van derden zijn al helemaal niet in het geding.

De conclusie ligt nu voor de hand: een verbod op of het niet erkennen van OL als effectieve onderwijsvorm aan kinderen in een aan dit Verdrag deelnemende Staat houdt vroeg of laat in, dat zekere ouders gedwongen zijn hun kinderen te laten onderwijzen volgens principes die niet stroken met hun levensovertuiging of geweten. Het verbod op OL betekent dus onvermijdelijk een schending van artikel 18 van dit Verdrag.