RECHTBANK ZWOLLE

Sector civiel recht

Kinderrechter.

 

Zaaknummer:    81880 JZ RK 02-577

Datum              24 januari 2003

 

 

BESCHIKKING

in de zaak van:

 

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te 8000 AN Zwolle,

Postbus 10075, Van Wevelinkhovenstraat 1,

vertegenwoordigd door [raadsmedewerker],

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

 

en

 

1. [moeder],

en

2. [vader],

beiden wonende [postcode]  [plaats],

advocaat mr. P.J. de Bruin te Rotterdam,

hierna als de moeder c.q. de vader aangeduid,

belanghebbenden.

 

 

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

 

De Raad heeft op 11 december 2002 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling.

 

De kinderrechter heeft kennis genomen van:

-          een rapport van de Raad van 4 december 2002-,

-          brieven van de vader aan de Raad van 25 september 2002, 6 november 2002 en 3 december 2002;

-          een brief van [thuisonderwijsgezin] aan de Raad van 29 november 2002;

-          een brief van mr. P.J. de Bruin van 9 januari 2003;

-          een overzicht van onderzoeksresultaten betreffende de effectiviteit van thuisonderwijs, ingekomen 10 januari 2003 door H. Blok;

-          een brief van [kennis] van 14 januari 2003;

-          een brief van [buurtgenoten] van 15 januari 2003;

-          een schriftelijke reactie van de vader op het rapport van de Raad van 15 januari 2003;

-          een brief van Fam. [buurtgenoten] van 16 januari 2003;

-          een brief van [kennis], ingekomen 20 januari 2003;

-          schriftelijk commentaar van de moeder en de vader op het rapport van de Raad, met bijlagen, ingekomen ter terechtzitting.

 

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 20 januari 2003

 

Verschenen zijn:

-          de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

-          [raadsmedewerker] namens de Raad.

 

De moeder, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen.

 

DE VASTSTAANDE FEITEN

 

De minderjarige kinderen van de moeder en de vader zijn:

1.      [kind1], geboren op (…) in de gemeente (…);

2.      [kind2], geboren op (…) in de gemeente (…);

3.      [kind3], geboren op (…) in de gemeente (…).

 

De moeder en de vader zijn belast met het gezag.

 

De minderjarigen verblijven bij de moeder en de vader.

 

DE BEOORDELING VAN DE ZAAK

 

De Raad heeft verzocht de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de gezinsvoogdij-instelling.

 

De feitelijke situatie is aldus dat de kinderen geen school bezoeken. De kinderen ontvangen thuisonderwijs van hun ouders.

 

De Raad heeft zich bij het indienen van het verzoek niet gebaseerd op de stelling dat thuisonderwijs zal leiden tot een bedreiging van de cognitieve- en sociaal-emotionele ontwikkeling.

De stelling van de Raad is, zakelijk weergegeven, dat onduidelijk is of ouders het gedrag van hun kinderen op de juiste wijze interpreteren en de signalen van hun kinderen, als er bij hen problemen zijn, herkennen. Daarnaast meent de Raad dat de ouders de mogelijke gevolgen voor de kinderen van het naleven van hun levensvisie niet overzien. Buiten dat van de ouders, ontbreekt elk zicht op de ontwikkeling van de kinderen.

 

Met de ondertoezichtstelling wil de Raad bereiken dat een pedagoog (met een NVO-registratie) een controle uitvoert om de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen te volgen en op die wijze de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen door problemen te signaleren en eventueel noodzakelijke hulp te indiceren.

 

Ouders zijn het niet eens met het verzoek. Zij geven de kinderen thuisonderwijs om reden van hun filosofisch-levensbeschouwelijke overtuigingen. Zij wensen niet mee te werken aan een controle uitgevoerd op basis van de opvattingen over opvoeding en onderwijs die in Nederland dominant zijn en waar zij het niet mee eens zijn. Wel zijn zij bereid zich te verantwoorden in een eigen jaarlijks verslag omtrent de vorderingen van hun kinderen.

 

De kinderrechter beoordeelt het verzoek van de Raad als volgt.

 

De kinderrechter zal buiten beschouwing laten of de ouders met het verstrekken van thuisonderwijs in overtreding zijn van enige bepaling van de Leerplichtwet. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de kantonrechter en (in hoger beroep) de rechtbank.

 

De kinderrechter is van oordeel dat op grond van de voorhanden zijnde gegevens thans niet kan worden vastgesteld dat de kinderen thans zodanig opgroeien dat de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid ernstig worden bedreigd en dat andere maatregelen in een vrijwillig kader ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar is te voorzien, zullen falen.

 

De kinderrechter heeft in het door de Raad overgelegde rapport geen informatie kunnen aantreffen die een dergelijke conclusie onderbouwt.

-          De gezondheid van de kinderen is, ook volgens de Raad, geen punt van zorg: ouders consulteren op vrijwillige basis een voedingsarts en houden zich aan de adviezen van die arts.

-          De ouders zijn zeer gemotiveerd om thuisonderwijs te geven. Zij beschikken over in Nederland toegepaste lesmethodes op het gebied van rekenen en taal, lesmateriaal van de vereniging van thuisonderwijs en ze zijn in het bezit van de leerdoelen van het basisonderwijs in Nederland.

-          De ouders hebben oog voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderen bezoeken meerdere clubs waar ze andere kinderen ontmoeten. Ook spelen zij met andere kinderen, getuige een aantal door de ouders overgelegde adhesiebetuigingen. Dat de kinderen verlegen zouden zijn is onvoldoende aanwijzing om aan te nemen dat hun sociaal- emotionele ontwikkeling in de knel komt.

 

Mitsdien is de kinderrechter van oordeel dat de ouders voldoende oog hebben voor de ontwikkeling van hun kinderen. Gelet op bovenstaande dienen zij dan ook in staat te worden geacht eventuele problemen bij de kinderen te signaleren en hulp voor het oplossen van die problemen te zoeken. Tot een jaarlijkse controle, verricht door een pedagoog, kunnen de ouders op basis van art. 1:251 BW (ondertoezichtstelling) niet worden verplicht. Dit laat een vrijwillige rapportage aan de Raad onverlet.

 

Mitsdien dient het verzoek te worden afgewezen.

 

BESLISSING

 

Wijst het verzoek van de Raad af.

 

Aldus gegeven door mr. A. Smedes, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

F.A. Paasman als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2003.

 


 

 

 

 

HOGER BEROEP

 

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de kinderrechter kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur # advocaat verplicht.