Edelachtbare heer, vrouwe,

 

Hier volgen enige aandachtspunten rond het verzoek tot OTS dat de Raad voor de Kinderbescherming te (…), hierna te noemen de Raad, heeft ingediend voor de (…) oudste kinderen van het gezin gevormd door vader (…) en moeder (…) (hierna te noemen de ouders), woonachtig te (…).

 

1.      De ouders geven de kinderen thuisonderwijs om reden van hun filosofisch-levensbeschouwelijke overtuigingen. Zij verzetten zich o.a. tegen de behaviouristische en cognitivistische opvattingen over opvoeding en onderwijs die heden ten dage in Nederland dominant zijn. Hieruit volgt dat zij geen prijs stellen op objectieve beoordeling of toetsing van hun kinderen volgens vooraf generiek vastgelegde criteria.

2.      De Raad beveelt in casu een OTS aan, omdat de kinderen nu niet volgens de in Nederland dominante opvattingen over opvoeding en onderwijs beoordeeld worden door een leerkracht of een pedagoog. In de OTS beveelt zij - kort samengevat - aan de ouders op te leggen akkoord te gaan met een regelmatig onderzoek en toetsing door een orthopedagoog en een testbureau. Zij maakt deze aanbeveling overigens zonder in hun onderzoek een concreet probleem in de ontwikkeling van de kinderen geconstateerd te hebben, ondanks dat de raadsonderzoeker de kinderen gezien en gesproken heeft. Louter het ontbreken van professioneel onderzoek en toetsing wordt nu door de Raad beschouwd als ‘mogelijke ontwikkelingsbedreiging’. Tegen dit standpunt zijn zowel juridische als wetenschappelijke bezwaren in te brengen.

3.      Het ware bezwaarlijk als het gezin in casu een leven in sociale isolatie zou leiden. Dat is echter niet het geval. De kinderen komen ook met andere volwassenen dan alleen hun ouders in aanraking, in feite maken ze deel uit van het uitgebreide sociale netwerk van hun ouders. Er is dus geen sprake van dat de ouders als enigen de ontwikkeling van de kinderen in casu waar zouden kunnen nemen.

4.      De ouders beroepen zich op de mogelijkheid tot leerplichtvrijstelling krachtens artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. Zij stellen overwegende bedenkingen te hebben tegen de richting van alle toepasselijke onderwijsinstellingen binnen redelijke afstand van hun woonplaats.

5.      Bij een krachtens dit artikel van leerplicht vrijgesteld kind bestaat geen bij wet vastgestelde generieke plicht tot toezicht of toetsing. Wel blijven de ouders verplicht - krachtens BW1:247 (2) - tot geestelijke en lichamelijke begeleiding en zorg voor de bevordering van de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind. Wetgever noch rechter mogen er dus op voorhand van uit gaan dat een van leerplicht vrijgesteld kind verstoken blijft van wat praktisch gezien onderwijs te noemen valt, want dat zou vooraanname van gemis aan begeleiding, van belemmering van de persoonlijkheidsontwikkeling en daaruit van plichtsverzaking van de ouder(s) inhouden. De Raad heeft geen vorm van ouderlijke plichtsverzaking in die zin geconstateerd. Er werd integendeel geconstateerd dat deze ouders zorgzaam naar hun kinderen zijn.

6.      Het EVRM, protocol 2, artikel 1 stelt:
Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd.
Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.

7.      Deze ouders hebben het onderwijs aan hun kinderen zelf ter hand genomen, omdat zij zich op andere wijze niet konden verzekeren dat hun kinderen conform hun filosofische overtuigingen werden opgevoed en onderwezen.

8.      Ouders hebben een plicht die relevant is rond het recht op onderwijs van hun kinderen. Zijn ouders ook gewoonlijk in staat om aan dat recht effectief tegemoet te komen? Die vraag is zowel in cognitief als in sociaal-emotioneel opzicht bevestigend beantwoord door de Amsterdamse onderwijsonderzoeker Dr. H. Blok. Hij baseert zijn standpunt op 28 onderzoeksverslagen, waarin gezamenlijk 46000 door hun ouders thuis onderwezen kinderen betrokken waren. Geen van deze verslagen gaf een achterstand van thuis onderwezen kinderen weer.

9.      Het grootste onderzoek naar thuisonderwijs tot dusverre, dat van Dr. L. Rudner van de Universiteit van Maryland uit 1999, maakte onderscheid tussen thuis onderwezen kinderen van wie minstens één ouder al dan niet over een relevante lesbevoegdheid beschikte. Deze kinderen lieten geen grotere voortgang zien dan andere kinderen uit de onderzoekspopulatie. Ook werd naar niveau van inkomen en ouderlijke opleiding gekeken, en ook deze factoren lieten minder verschil zien dan op grond van eerder onderzoek met schoolgaande kinderen te verwachten viel. Er is dus geen reden om ten aanzien van de bekwaamheid van ouders tot thuisonderwijs dergelijke criteria te stellen.

10.  Kort samengevat: ouders die voor schoolvervangend thuisonderwijs kiezen zijn hiertoe inspanningsverplicht, en er valt ook succes van hun aanpak te verwachten. Aan de norm gesteld in de eerste zin van EVRM-artikel P1:2 wordt dus generiek voldaan.

11.  Ouders wier overtuigingen niet stroken met de behaviouristische of cognitivistische zienswijzen die onder andere leiden tot gebruik van standaardtoetsen hebben dus, krachtens de tweede zin van bovenstaand artikel, het volste recht hier niet mee akkoord te gaan en te kiezen voor onderwijs dat hier geen gebruik van maakt. Ter vergelijking: er bestaan in Nederland ook een aantal (niet door het rijk bekostigde) scholen die geen gebruik maken van cognitivistische toetsing. De onderwijswetgeving stelt dan ook, dat toetsgebruik een beslissing is van de inrichter van het onderwijs - veelal een schoolbestuur - en niet van de overheid. Waarom zouden er voor gezinnen waarin thuisonderwijs gegeven wordt dan andere maatstaven aangelegd moeten worden, temeer daar nu onder andere uit Rudner’s grote onderzoek is gebleken, dat beschikking over een bevoegdheid tot (klassikaal!) lesgeven thuis onderwezen kinderen geen extra voordeel oplevert?

12.  Verder valt er nog te verwijzen naar EVRM artikel 9, dat handelt over de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst:
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé; zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.
2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

13.  Dit OTS-verzoek komt in feite neer op een poging om - in de zin van lid 2 van dit artikel - een beperking op te leggen aan de ouderlijke wens om hun overtuigingen praktisch toe te passen in hun gezin.
De wet voorziet echter niet in deze beperking, en de aanvraag van de Raad valt te beschouwen als een poging dit te met een OTS te omzeilen. De Raad heeft bij dit gezin echter geen bijzondere indicaties gevonden, die het generiek te verwachten succes van thuisonderwijs zouden kunnen belemmeren. Deze OTS-aanvraag valt derhalve te herkennen als een poging om een (gewoonte)recht op overheidscontrole van thuisonderwijs te vestigen, en dat is iets waarin hoogstens de wetgever zou mogen en kunnen voorzien.

14.  Ten overvloede: het nu beschikbare empirisch inzicht maakt het trouwens onredelijk ervan uit te gaan dat het recht op onderwijs van de kinderen in casu geschonden wordt. Een beroep op lid 2 van dit artikel heeft derhalve geen enkele grond.