Rechtbank Zutphen
Sector Kanton.
Locatie Zutphen.
Parketnummer: 06/100796-02
In de strafzaak tegen de verdachte
[verdachte],
geboren te […] op […],
wonende te […].
De tenlastelegging.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij in of omstreeks
de periode van 19 februari 2001 tot en met 8 oktober 2002 in de gemeente
Brummen, althans in Nederland, als degene die het gezag over de kinderen:
- [kind1], geboren op […] te Arnhem en/of
- [kind2], geboren op […] en/of
- [kind3], geboren op […], uitoefende en/of als degene
die zich met de feitelijke verzorging van voornoemde jongere(n) heeft belast,
niet is nagekomen haar verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de
Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n) als leerlinge(en) van
een school waren/was ingeschreven.
Het onderzoek van de zaak.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare
terechtzitting van 30 januari 2003. Aan de verdachte zijn de stukken van het
geding voorgehouden, waaronder een door de leerplichtambtenaar [leerplichtambtenaar]
d.d. 24 september 2001 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, voorzien van
een groot aantal bijlagen.
Uit de stukken blijkt onder andere dat verdachte
gedurende de in de tenlastelegging genoemde periode heeft volhard in haar
weigering haar drie kinderen [kind1], [kind2] en [kind3] in te schrijven op een
erkende school.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de
verdachte andermaal medegedeeld overwegende bezwaren te hebben tegen de
richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning
gelegen scholen, omdat deze scholen de levensovertuiging die verdachte tot
leidend beginsel van haar levenswandel maakt niet vertegenwoordigen. Deze
levensovertuiging gaat uit van het spiritueel-holistisch mensbeeld, een
levensvisie die op alle manieren doorwerkt in het leven van verdachte, waarbij
met name ook de opvoeding van de kinderen aan de orde is. Zij, verdachte, heeft
alle scholen in de ruime omgeving van haar woonplaats qua onderwijsrichting aan
een onderzoek onderworpen, maar geen van die scholen sluit aan bij de door haar
in ernst gevolgde levensbeschouwing. Dit zo zijnde heeft verdachte, zij het voorlopig,
gekozen voor een vorm van thuisonderwijs die wel naadloos aansluit bij die
levensbeschouwing.
Omdat het thuisonderwijs in kwestie in Engeland volledig
geaccepteerd is en daarbij ook goed georganiseerd hebben de verdachte en haar
echtgenoot uiteindelijk besloten per 1 februari 2003 naar dat land te
verhuizen.
Het requisitoir.
De Officier van Justitie voert het woord en concludeert
tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Gelet op de
omstandigheden van het geval vindt zij een schuldigverklaring zonder toepassing
van straf op zijn plaats.
De beoordeling.
Vast staat dat de verdachte haar drie binnen de
leeftijdsgrenzen van de Leerplichtwet vallende kinderen gedurende de in de
tenlastelegging genoemde periode niet als leerling van een school heeft
ingeschreven.
Thans ligt ter beoordeling voor het antwoord op de vraag
of verdachte zich al dan niet kan beroepen op de vrijstellingsgrond als bedoeld
in artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet.
Daarbij moet worden onderzocht of de door verdachte
ingebrachte bezwaren de richting van het onderwijs betreffen.
Te dien aanzien kan de term richting niet anders dan
extensief worden geďnterpreteerd, met dien verstande dat — als vanouds — niet
slechts religieus getinte bezwaren daaronder vallen, maar ook diepgevoelde
bezwaren van levensbeschouwelijke aard.
Hiervan uitgaande heeft verdachte doen blijken van een
jarenlang consequent volgehouden zoektocht naar een school waar het onderwijs
werd/wordt gegeven waarin zij en haar echtgenoot zich, gelet op hun diep
beleefde, holistische levensovertuiging, kunnen vinden. Zij heeft het door haar
gewenste onderwijs in de wijde regio niet kunnen aantreffen. Sterker nog: zij
heeft er, in haar pogingen onderwijs te vinden van een richting die wel
aansluit bij haar levensvisie, voor gekozen naar Engeland te verhuizen, waar — kennelijk
— een door de overheid erkende mogelijkheid van “home-education” bestaat.
Omdat de verdachte zodanig consequente pogingen heeft
gedaan haar bezwaren tegen de richting van het onderwijs als hiervoor
omschreven onder de aandacht te brengen had haar in redelijkheid een ontheffing
als bedoeld in artikel 5, aanhef en
sub 2, van de Leerplichtwet moeten worden verleend.
Op grond van het voorgaande moet de slotsom zijn dat de
verdachte niet strafbaar is. De verdachte wordt daarom ontslagen van
rechtsvervolging.
De toegepaste wettelijke bepalingen.
De artikelen 2, 5 en 8 van de Leerplichtwet 1969.
Beslissing:
De verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.R. Kuiken,
kantonrechter, en in tegenwoordigheid van E. Oudshoorn, griffier, uitgesproken
ter openbare terechtzitting van 30 januari 2003.